Met woeste slagen trotseerden wij de sterke stroming en grote kabbelende golven. Hijgend en puffend worstelden wij ons door de ruim anderhalve kilometer destructieve watergolven. Euforisch waren wij. Dit moest in een anti-climax eindigen, wij hadden het moeten weten.
“Wat doen jullie hier?” De anticlimax kwam van de bovenste plank. Of eigenlijk uit de mond van een ‘lifeguard’ in een motorbootje.
Wij wachten op de bus. Wij doen boodschappen. Wij spelen een spelletje. Wij spoelen aan. Wij sterven. De meest briljante antwoorden bedenk je altijd pas achteraf.
“Wij zwemmen”. Er was geen woord van gelogen.
“Dat mag niet. Alle zwemmers van hier blijven aan de andere kant van de ballonnenlijn.”
“Maar wij komen van de overkant.” Een lichte trots was niet te onderdrukken in mijn stem. De dappere levensredder in het gemotoriseerde roeibootje vond dit echter in zijn geheel niet indrukwekkend.
“Dat mag dus niet. Dit water is van ons.” Hij maakte een gebaar met zijn arm en legde net teveel nadruk op het ‘ons’.
“Waar begint dan het water van jullie? En tot waar mogen wij zwemmen? En waarom staat er nergens iets aangegeven? En waarom mag het niet. En mogen wij nu niet doorzwemmen?” De arme man kon zoveel vragen niet in een keer aan.
“Sorry, ik pas de regels ook alleen maar toe, ik heb ze niet bedacht.” Mijn grootste kwam toen pas: “Dat maakt je alleen maar suffer.” (Yeah, go get them).
Dus wij moesten omkeren. Zonder rustpauze de anderhalve kilometer terug, met een dikke teleurstelling op onze rug. Als wraak lieten wij een plasje achter in hun maarsseveens plasje. En namen we stiekem wat van hun water mee naar de kant waar iedereen mag zwemmen, zolang en zo ver hij wil. Dat zal hun leren!
(en al het water is natuurlijk van de here god!)